ECLI:NL:RBDHA:2025:2856
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid afgewezen
Eiser, met de Tunesische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublin-verordening.
Eiser voerde aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen omdat het claimakkoord met Duitsland pas na het voornemen was uitgebracht, waardoor de wettelijke voornemenprocedure niet zorgvuldig zou zijn gevolgd. De rechtbank oordeelde echter dat het voornemen op 17 december 2024 werd uitgebracht en dat Duitsland op diezelfde dag het claimverzoek accepteerde. Eiser werd hiervan op de hoogte gesteld en kreeg de mogelijkheid om zijn zienswijze kenbaar te maken.
De rechtbank stelde vast dat er geen rechtsregel is die het uitbrengen van een voornemen voorafgaand aan de acceptatie van het claimverzoek door de betrokken lidstaat verbiedt. Bovendien is een voornemen geen definitief besluit, zodat relevante ontwikkelingen nog kunnen worden meegewogen. De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij door deze handelswijze in zijn belangen was geschaad en verklaarde het beroep kennelijk ongegrond.
Daarnaast werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan en er geen sprake meer was van connexiteit. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 17 februari 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.