ECLI:NL:RBDHA:2025:2856

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2025
Publicatiedatum
26 februari 2025
Zaaknummer
NL25.222 + NL25.223
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid afgewezen

Eiser, met de Tunesische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublin-verordening.

Eiser voerde aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen omdat het claimakkoord met Duitsland pas na het voornemen was uitgebracht, waardoor de wettelijke voornemenprocedure niet zorgvuldig zou zijn gevolgd. De rechtbank oordeelde echter dat het voornemen op 17 december 2024 werd uitgebracht en dat Duitsland op diezelfde dag het claimverzoek accepteerde. Eiser werd hiervan op de hoogte gesteld en kreeg de mogelijkheid om zijn zienswijze kenbaar te maken.

De rechtbank stelde vast dat er geen rechtsregel is die het uitbrengen van een voornemen voorafgaand aan de acceptatie van het claimverzoek door de betrokken lidstaat verbiedt. Bovendien is een voornemen geen definitief besluit, zodat relevante ontwikkelingen nog kunnen worden meegewogen. De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij door deze handelswijze in zijn belangen was geschaad en verklaarde het beroep kennelijk ongegrond.

Daarnaast werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan en er geen sprake meer was van connexiteit. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 17 februari 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.222 (beroep) en NL25.223 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1984 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert – kortgezegd – aan dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft genomen, nu het claimakkoord na het voornemen is uitgebracht. Eiser meent dat verweerder hiermee de wettelijke voornemenprocedure onzorgvuldig heeft doorlopen. Eiser benadrukt dat de voornemenprocedure essentieel is om eisers standpunt kenbaar te maken voordat een definitief besluit wordt genomen en verwijst tevens naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter [2] om het belang van een zorgvuldige toepassing van de voornemenprocedure te illustreren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Met betrekking tot de vraag of verweerder het bestreden besluit zorgvuldig heeft genomen, oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft het voornemen uitgebracht op 17 december 2024. Duitsland heeft op diezelfde dag het claimverzoek geaccepteerd. Eiser is op 19 december 2024 hiervan op de hoogte gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen rechtsregel aan te wijzen die eraan in de weg staat om een voornemen uit te brengen voordat de betrokken lidstaat het claimverzoek heeft geaccepteerd. Eiser heeft in zijn zienswijze de mogelijkheid gekregen om tegen het voornemen op te komen en zijn belangen kenbaar te maken. Daarbij komt dat een voornemen geen definitief besluit is en verweerder relevante ontwikkelingen na een voornemen alsnog kan meewegen in de uiteindelijke besluitvorming. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken hoe hij door deze handelswijze van verweerder in zijn belangen is geschaad. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling [3] treft hierbij geen doel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [4] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 oktober 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3819.
3.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 oktober 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3819.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.