ECLI:NL:RBDHA:2025:2938

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
NL25.4148
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verlenging overdrachtstermijn aan Kroatië wegens onderduiken afgewezen

Eiser, met de Turkse nationaliteit, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn voor zijn overbrenging aan Kroatië te verlengen tot achttien maanden. De verlenging werd ingesteld omdat eiser zich ondergedoken zou hebben, waardoor de overdracht niet binnen de reguliere termijn van zes maanden kon plaatsvinden.

Eiser stelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat niet duidelijk was op welke datum en op basis van welke gedragingen was vastgesteld dat hij de overdracht bewust frustreerde. De rechtbank oordeelde dat uit het dossier blijkt dat eiser niet is verschenen bij een vertrekgesprek en zijn meldplicht niet is nagekomen, waarna zijn kamer leeg werd aangetroffen. Dit leidde tot de conclusie dat hij bewust buiten bereik van de autoriteiten bleef.

De rechtbank stelde vast dat de minister de verlenging van de overdrachtstermijn op 23 januari 2025 terecht heeft vastgesteld en dat de Kroatische autoriteiten hiervan op dezelfde dag op de hoogte zijn gesteld. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn aan Kroatië wegens onderduiken is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4148

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiser aan Kroatië verlengd tot achttien maanden. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1998 en de Turkse nationaliteit hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden, omdat eiser is ondergedoken.
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd nu uit het dossier niet is gebleken dat eiser zijn overdracht aan Kroatië bewust frustreert, onduidelijk is op welke datum dit zou zijn vastgesteld en op grond van welke gedragingen dit is vastgesteld. Ook is onduidelijk wanneer dit aan Kroatië is medegedeeld.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de betrokkene onderduikt. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat een betrokkene onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te voorkomen. [2]
5. Anders dan eiser stelt, volgt uit het dossier en het verweerschrift dat eiser op 29 januari 2025 zou worden overgedragen aan Kroatië. Op 16 januari 2025 is eiser per post en e-mail uitgenodigd voor een vertrekgesprek op 21 januari 2025 om deze overdracht te bespreken. Uit het verslag van het vertrekgesprek blijkt dat eiser niet is verschenen. Uit navraag bij het COa [3] blijkt dat eiser zich voor het laatst op 14 januari 2025 zich heeft gemeld. Op 21 januari 2025 heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende meldplicht, waarna een kamercontrole bij het COa heeft plaatsgevonden. Eisers kamer was leeg aangetroffen. Hij heeft de opvanglocatie verlaten zonder verweerder op de hoogte te stellen van zijn nieuwe verblijfplaats. Verweerder heeft op basis hiervan niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser is ondergedoken om de overdracht aan Kroatië te voorkomen, waardoor de geplande overdracht op 29 januari 2025 dan ook niet heeft kunnen plaatsvinden. Verder is ook niet gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld bij verweerder en is onduidelijk waar hij op dit moment verblijft.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de overdrachtstermijn op 23 januari 2025 kunnen verlengen. Op dezelfde dag zijn de Kroatische autoriteiten hiervan op de hoogte gesteld. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).
2.ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.