ECLI:NL:RBDHA:2025:3048

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
NL25.7363
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwArt. 18 lid 1 onder d DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Zwitserse verantwoordelijkheid

Eiser, van Turkse nationaliteit, diende op 30 december 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is, waar eiser eerder een asielverzoek indiende. Eiser stelde dat overdracht naar Zwitserland leidt tot risico op indirect refoulement vanwege systeemfouten, discriminatie en een afwijkend beschermingsbeleid.

De rechtbank overwoog dat Zwitserland geacht wordt de Europese asielrichtlijnen en verdragsverplichtingen na te leven (interstatelijk vertrouwensbeginsel). Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat sprake is van systeemfouten of onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid bij overdracht. Het terugnameverzoek door Zwitserland werd aanvaard, waardoor Zwitserland de asielaanvraag inhoudelijk zal behandelen.

Daarnaast wees de rechtbank het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening af omdat verweerder terecht terughoudend gebruik maakt van deze discretionaire bevoegdheid. De psychische problematiek van eiser en het overgelegde patiëntendossier rechtvaardigen geen uitzondering. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7363

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 16 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1972. Eiser heeft op 30 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, [1] omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 21 juni 2022 in Zwitserland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 8 januari 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Zwitserse autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 13 januari 2025 door Zwitserland aanvaard. [3]
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit, en stelt daartoe als volgt. Met overdracht naar Zwitserland loopt hij een reëel risico op (indirect) refoulement en daarmee op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [4] dan wel artikel 4 van Pro het Handvest [5] omdat er sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zo waren er tijdens zijn asielaanvraag in Zwitserland problemen met de tolk waardoor eiser zijn verhaal en medische problematiek niet goed heeft kunnen overbrengen. Voorts vreest eiser dat hij door Zwitserland zal worden uitgezet naar Turkije omdat zijn asielaanvraag is afgewezen. [6] In Zwitserland wordt eiser niet erkend als vluchteling, het beschermingsbeleid ten aanzien van HDP-leden [7] en PKK-aanhangers [8] is anders dan in Nederland. Hierbij verwijst eiser naar de WBV 2024/12 [9] , waaruit volgt dat HDP-leden en PKK-aanhangers als risicogroep worden aangemerkt in Nederland. Eiser heeft in dit verband een document overgelegd uit het dossier van een vriend waaruit blijkt dat hij wordt gezocht wegens het deelnemen aan een demonstratie voor de PKK. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Er is in Zwitserland sprake van discriminatie en racisme jegens vluchtelingen van niet-Oekraïense afkomst. Verweerder heeft eisers bijzondere omstandigheden onvoldoende gemotiveerd en betrokken in de besluitvorming. Het risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Turkije en de afgewezen asielaanvraag van eiser in Zwitserland had verweerder moeten betrekken, nu dit omstandigheden zijn die invloed hebben op de gemoedstoestand van eiser. In beroep heeft eiser zijn patiëntendossier gedateerd van 19 februari 2025 overgelegd om deze psychische problematiek te onderbouwen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag omdat eiser eerder een asielaanvraag in Zwitserland heeft ingediend. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt voorts aangenomen dat Zwitserland daarbij de Europese asielrichtlijnen en zijn verdragsrechtelijke verplichtingen respecteert. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval verweerder daar niet van uit mag gaan. Eiser is hier niet in geslaagd, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van systeemfouten in de Zwitserse asielprocedure en/of opvangvoorzieningen als bedoeld in de zaak Jawo [10] . Daarnaast hebben de Zwitserse autoriteiten met het aanvaarden van het terugnameverzoek gegarandeerd dat eiser in staat wordt gesteld een (nieuwe) asielaanvraag in Zwitserland in te dienen en dat deze asielaanvraag vervolgens in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In dit verband heeft eiser, als reeds overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van systeemfouten in de Zwitserse asielprocedure, wat een verder onderzoek naar het gestelde risico op (indirect) refoulement na overdracht niet nodig maakt. Bovendien kan eiser hier geen beroep meer op doen nu is aangenomen dat uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit maakt tevens dat de beroepsgrond over het gestelde verschil in beschermingsbeleid niet slaagt. Dit volgt onder andere uit de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. [11] In het geval eiser eventueel problemen zou ervaren na zijn overdracht aan Zwitserland dient hij daarover te klagen bij de competente (hogere) Zwitserse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid. [12]
6. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over het gestelde risico op (indirect) refoulement en een afwijkend beschermingsbeleid is reeds beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en is er geen plaats meer voor om dit nogmaals te doen in het kader van een beroep op artikel 17.
7. Ten aanzien van de opgevoerde psychische problematiek en het overgelegde patiëntendossier blijkt niet dat er bij overdracht sprake is van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand als bedoeld in het arrest C.K. [13] In het bestreden besluit stelt verweerder dan ook terecht dat de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar mogen worden verondersteld tussen de lidstaten, hetgeen door eiser overigens niet wordt betwist. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser.
8. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van eisers asielverzoek onverplicht aan zich te trekken.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU nr. 604/2014).
3.Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Uitspraak van Bundesverwaltungsgericht van 24 augustus 2023.
7.Halkların Demokratik Partisi.
8.Koerdische Arbeiderspartij.
9.Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024/12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.
10.ECLI:EU:C:2019:218.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
12.Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
13.Arrest van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127