ECLI:NL:RBDHA:2025:3083
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar woningvormingsvergunning
De zaak betreft een beroep van een omwonende tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen een woningvormingsvergunning die op 14 juli 2023 door het college van B&W van Delft is verleend. De vergunning betrof de verbouwing van twee woningen naar vier appartementen aan een adres in Delft. De omwonende maakte bezwaar omdat hij het niet eens was met de opdeling van de woning in appartementen en wilde dat het pand behouden bleef als twee woningen.
Het bezwaar van eiser werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard vanwege de grote afstand van zijn woning tot het adres waar de vergunning voor was verleend. Eiser stelde dat deze afstandsgrond niet was onderbouwd en dat andere bezwaarmakers die dichterbij wonen wel ontvankelijk waren verklaard. Tevens voerde eiser aan belanghebbende te zijn vanwege mogelijke toekomstige woonwensen van zijn gezin en bracht inhoudelijke argumenten tegen de vergunning naar voren.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de niet-ontvankelijkverklaring terecht was. Gelet op de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter geldt dat belanghebbende is wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van het besluit. De rechtbank oordeelde dat eiser geen rechtstreeks belang heeft omdat hij ruim 150 meter van het pand woont, geen zicht heeft op het pand en er geen gevolgen van enige betekenis voor zijn woon- of leefsituatie zijn gebleken.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M. Garabitian en griffier M.C. Bakker op 18 februari 2025.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar is ongegrond verklaard wegens gebrek aan belang.