ECLI:NL:RBDHA:2025:312
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel bij grensdetentie asielzoeker en toekenning schadevergoeding
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op 9 oktober 2024 op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet Pro 2000. De maatregel werd aanvankelijk als rechtmatig beoordeeld tot het sluiten van het vooronderzoek op 15 november 2024. Echter, na de gegrondverklaring van het asielberoep op 22 november 2024, oordeelde de rechtbank dat de maatregel vanaf 15 november 2024 retrospectief onrechtmatig was omdat eiser feitelijk nog als asielzoeker gold.
Eiser vorderde schadevergoeding voor de gehele periode van 9 oktober tot 25 november 2024. De rechtbank stelde vast dat de onherroepelijke uitspraak van 25 november 2024 niet vermeldde wanneer het vooronderzoek was gesloten, maar interne stukken wezen op 15 november 2024. De rechtbank kende schadevergoeding toe voor de periode van 9 oktober tot 15 november 2024 en van 15 tot 25 november 2024, in totaal 47 dagen à €100 per dag.
Verweerder stelde dat de gegrondverklaring van het asielberoep niet de eerdere grensdetentie onrechtmatig maakte en trok een eerder aanbod tot schadevergoeding in. De rechtbank verwierp deze stelling en baseerde zich op het EVRM en de Vreemdelingenwet. Tevens werden proceskosten van €1.750 toegekend aan eiser. Het beroep werd gegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de Staat tot betaling van €4.700 schadevergoeding en €1.750 proceskosten.