ECLI:NL:RBDHA:2025:3184
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel over tijdige terugkeer
Eiser heeft een visum kort verblijf aangevraagd om zijn broer in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij tijdig zou terugkeren naar Marokko. De minister baseerde zich op artikel 32 van Pro de Visumcode en stelde dat er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eiser om het Schengengebied tijdig te verlaten, mede vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.
De rechtbank bevestigt dat de minister een ruime beoordelingsmarge heeft bij het toetsen van visumaanvragen en dat twijfel over terugkeer een geldige grond is voor weigering. De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende sociale binding heeft aangetoond, aangezien hij geen gezin in Marokko heeft en mantelzorg voor zijn moeder niet onmisbaar is. Ook de economische binding is onvoldoende onderbouwd; de overgelegde attestation de profession is niet ondersteund door objectieve documenten en bankafschriften tonen geen inkomsten.
Eiser voerde aan dat mantelzorgers recht hebben op rust en dat hij boer is, maar de rechtbank oordeelt dat deze argumenten niet overtuigend zijn. Gezien de redelijke twijfel over terugkeer is het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen visum, geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege redelijke twijfel over tijdige terugkeer.