Eiser verzocht de minister van Asiel en Migratie om uitstel van vertrek vanwege zijn medische situatie, specifiek zijn aandoening phenylketonurie. De minister wees dit verzoek af op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), dat geen medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden verwachtte.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het BMA-advies deskundig en zorgvuldig was opgesteld, ook al was eiser niet persoonlijk door een BMA-arts onderzocht. Eiser bracht onvoldoende concrete medische tegenargumenten of contra-expertise aan om het advies te weerleggen.
Verder stelde de rechtbank vast dat een medische noodsituatie alleen bestaat als binnen drie tot zes maanden ernstige gevolgen zoals overlijden of verlies van zelfstandigheid te verwachten zijn. De minister hoefde niet te toetsen of de behandeling in Tunesië beschikbaar was, omdat geen medische noodsituatie was vastgesteld.
Hoewel de moeder van eiser aangaf dat het beter gaat sinds behandeling in Nederland, voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor uitstel van vertrek. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om griffierechtvrijstelling toe.