ECLI:NL:RBDHA:2025:320
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, van Egyptische nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend die de minister niet in behandeling nam omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen dit besluit zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
Eiser voerde aan dat hij in Frankrijk een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het EU-Handvest, vanwege mogelijke bedreiging door Hezbollah en onvoldoende bescherming door Franse autoriteiten. Daarnaast stelde hij dat de opvangfaciliteiten in Frankrijk niet voldoen aan minimumnormen, wat een schending van zijn rechten zou betekenen.
De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de minister mag aannemen dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem structureel en ernstig genoeg zijn om een reëel risico op schending van fundamentele rechten te rechtvaardigen.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser als onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat de minister terecht heeft geoordeeld dat Frankrijk verantwoordelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.