Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
- [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;
- [kind 3] ( [kind 3] ), geboren op [geboortedatum 3] 2017 te Oekraïne.
Rechtbank Den Haag
De vader vordert in kort geding een voorlopige zorgregeling voor zijn zoon [kind 1], die momenteel met de moeder verblijft in een vrouwenopvang vanwege huiselijk geweld. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De vader wenst omgang om de week in het weekend, maar de moeder verzet zich vanwege veiligheidsrisico's en het feit dat de vader nooit alleen voor het kind heeft gezorgd.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van Brussel II-ter en het Haags Kinderbeschermingsverdrag. De vader heeft de spoedeisendheid van zijn vordering onvoldoende onderbouwd, omdat de wettelijke 1:253a-procedure bij de familierechter binnen zes weken een beslissing kan geven en meer waarborgen biedt, zoals nader onderzoek en betrokkenheid van de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank oordeelt dat de belangen van het kind en de partijen beter in de bodemprocedure kunnen worden gewaarborgd en dat de kort geding procedure slechts een voorlopige maatregel kan treffen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die het wachten op de familierechtelijke procedure onaanvaardbaar maken.
De vordering wordt daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. De rechtbank benadrukt dat in de bodemprocedure een gedegen onderbouwing en stukken noodzakelijk zijn gezien de complexiteit en de tegengestelde visies van de ouders.
Uitkomst: De vordering tot voorlopige zorgregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.