Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag, waarbij de beslistermijn van 21 maanden is overschreden. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank eerder gestelde termijn heeft beslist en verklaart het beroep gegrond.
De rechtbank overweegt dat de ingebrekestelling in dit geval niet vereist is vanwege een eerdere rechterlijke termijnstelling. De minister krijgt een nieuwe beslistermijn van acht weken opgelegd, korter dan het gebruikelijke 8+8-wekenmodel, gelet op het belang van een snelle en zorgvuldige besluitvorming. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd bij niet-naleving, met een maximum van €37.500.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder op 25 februari 2025 te Utrecht.