ECLI:NL:RBDHA:2025:3348

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2025
Publicatiedatum
6 maart 2025
Zaaknummer
SGR 24/1550
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 5:6 Huisvestingsverordening Den Haag 2023Art. 5:6 Huisvestingsverordening Den Haag 2019
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang na verkoop woning

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een woningvormingsvergunning om een woning te verbouwen tot drie zelfstandige woningen. Deze aanvraag is door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag afgewezen vanwege negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de woonruimtevoorraad en de leefbaarheid in het gebied.

Eiser heeft de woning tijdens de beroepstermijn verkocht en zijn rechtsopvolgers hebben vervolgens ook beroep ingesteld. De rechtbank heeft eerst moeten beoordelen of eiser nog procesbelang had om het beroep inhoudelijk te behandelen.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij de woning heeft verkocht en geen schade heeft gesteld die voortvloeit uit het bestreden besluit. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en er worden geen proceskosten toegekend.

De uitspraak is gedaan door rechter C.W. Griffioen op 10 maart 2025. Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de woningvormingsvergunning is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1550

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Huijgen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Tjon-Man-Tsoi).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een woningvormingsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser wilde de woning aan de [adres] in [plaats] verbouwen tot drie zelfstandige woningen. De aanvraag voor deze woningvormingsvergunning heeft verweerder geweigerd vanwege negatieve gevolgen door woningvorming op de kwaliteit van de woonruimtevoorraad of voor het karakter dan wel de leefbaarheid in het gebied. [2] Eiser heeft de woning hangende de beroepstermijn verkocht. De rechtsopvolgers van eiser hebben ook beroep ingesteld. [3] Voordat de rechtbank de zaak inhoudelijk kan toetsen, zal de rechtbank oordelen of eiser nog procesbelang heeft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
4. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [4] dat ook procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan bestaan als de betrokkene stelt dat zij schade heeft geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. [5] Daarvoor is wel vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit. Indien de beweerdelijk geleden schade niet het gevolg kan zijn van het in het geding zijnde besluit, kan aan het stellen van die schade geen procesbelang worden ontleend.
5. Eiser heeft niet gesteld dat hij schade heeft geleden. Ook heeft hij de rechtbank verzocht om het door hem ingestelde beroep op de naam van zijn rechtsopvolgers te stellen. De rechtbank ziet hierdoor geen aanleiding om procesbelang aan te nemen en is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.C. Korbee, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025.
De griffier is verhinderd te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie artikel 5:6, zevende lid, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Hv 2023) en het ten tijde van het primaire besluit geldende en gelijkluidende artikel 5:6, tweede lid, van de Hv 2019.
3.Zie de uitspraak van deze rechtbank in de zaak van de rechtsopvolgers van eiser van 21 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19452.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:455.