ECLI:NL:RBDHA:2025:3878
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning bij familie wegens niet-overschrijden gebruikelijke afhankelijkheid
Eiseres, een Marokkaanse vrouw die sinds 2020 in Nederland verblijft, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij familie of gezin. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling van dit vereiste kon worden gegeven.
Eiseres stelde dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro vanwege haar nauwe en afhankelijke relatie met haar Nederlandse dochter, met wie zij samenwoont en die haar verzorgt. Zij wees op haar financiële afhankelijkheid, haar lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand en de angst voor eenzaamheid bij terugkeer naar Marokko.
De rechtbank oordeelde dat de afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter het gebruikelijke moeder-dochterrelatie niet overstijgt. Er was onvoldoende bewijs dat eiseres voor haar zorg afhankelijk was van haar dochter. Ook de samenwoning en financiële ondersteuning werden als gebruikelijk beschouwd. Verder was eiseres pas op latere leeftijd naar Nederland gekomen, waardoor de band met Marokko sterker werd geacht.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro dat een verblijfsvergunning zou rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.