ECLI:NL:RBDHA:2025:3975

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
NL25.4810
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verstreken Dublin overdrachtstermijn

Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag. De rechtbank behandelde het beroep op 6 maart 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde afwezig waren.

Verweerder gaf aan de asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen omdat de overdrachtstermijn van artikel 29, eerste lid, Dublinverordening was verstreken. Hierdoor verloor eiser belang bij het beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.

Eiser verzocht ook om vergoeding van proceskosten, maar verweerder stelde dat hij niet aan eiser was tegemoetgekomen omdat het intrekken van het besluit een gevolg was van de verstreken overdrachtstermijn, een veranderde omstandigheid. De rechtbank volgde dit standpunt en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af.

De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Harting, met griffier S. Feijtel. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de overdrachtstermijn is verstreken en de asielaanvraag alsnog in behandeling wordt genomen; proceskosten worden niet toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4810

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Vreijsen).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 31 januari 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 5 maart 2025 te kennen gegeven dat hij eiser alsnog in de nationale procedure opneemt en het bestreden besluit intrekt. De overdrachtstermijn bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is namelijk verstreken. De uiterste overdrachtsdatum was 4 maart 2025. Daarmee heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van het onderhavige beroep. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Eiser heeft de rechtbank bij brief van 5 maart 2025 verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Ook dit verzoek biedt geen aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Wel kijkt de rechtbank of verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarvoor kan aanleiding bestaan als verweerder aan eiser tegemoet is gekomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij eiser niet is tegemoetgekomen, omdat de uiterste overdrachtsdatum is verstreken. Eiser heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om (per ommegaande) op dit standpunt van verweerder te reageren.
3. Verweerder is niet aan eiser tegemoetgekomen, als hij een asielaanvraag in behandeling neemt vanwege het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn. Dit is een veranderde omstandigheid die zich niet voordeed ten tijde van het besluit waarbij verweerder de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2573). Verweerder hoeft de proceskosten van eiser dan ook niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.