ECLI:NL:RBDHA:2025:4024
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Kroatië binnen overdrachtstermijn
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om zijn beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn en bezwaar tegen de feitelijke overdracht af te wachten. De minister had de overdrachtstermijn verlengd op grond van de Dublinverordening en had de uitzetting gepland op 17 maart 2025.
De voorzieningenrechter overweegt dat de oorspronkelijke uiterste overdrachtstermijn nog niet verstreken is en dat de geplande overdracht binnen de zesmaandstermijn na de definitieve beslissing op het beroep ligt. Het belang van verzoeker om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn beroep weegt niet zwaarder dan het belang van de minister om de overdracht uit te voeren.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor de uitzetting op 17 maart 2025 kan plaatsvinden. Deze uitspraak is bindend voor de bodemprocedure niet, en er staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de uitzetting op 17 maart 2025 kan plaatsvinden.