ECLI:NL:RBDHA:2025:4065

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 maart 2025
Publicatiedatum
17 maart 2025
Zaaknummer
NL24.23325 en NL24.36046
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij meerderjarige zoon wegens ontbreken beschermwaardig familieleven

Eiseres, Iraanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar meerderjarige Nederlandse zoon te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van beschermwaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank toetste het beroep en concludeerde dat verweerder terecht oordeelde dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid bestaat tussen eiseres en haar zoon, mede vanwege de lange periode van 28 jaar gescheiden wonen en het ontbreken van financiële en medische afhankelijkheid.

Ook werd geoordeeld dat de banden tussen eiseres en haar kleinkind niet hecht genoeg zijn om van beschermwaardig familie- of gezinsleven te spreken. De rechtbank vond dat verweerder alle relevante individuele omstandigheden heeft meegewogen en dat de weging van deze elementen terughoudend moet worden getoetst.

De rechtbank wees het beroep af en verklaarde het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat er geen connexiteit meer was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag mvv wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van beschermwaardig familieleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.23325 en NL24.36046
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kana).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het verzoek op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, referent, de gemachtigde van eiseres, L. Neshin als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1953 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiseres heeft op 3 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een mvv omdat zij in Nederland wil verblijven bij haar Nederlandse meerderjarige zoon, [referent] (referent). Eiseres is op 13 juli 2022 naar Nederland gekomen met een visum kort verblijf.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen familieleven is tussen referent, eiseres en haar kleinkind in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Er is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referent en eiseres. Zo is de periode van samenwoning in Nederland relatief kort, heeft eiseres geen documenten overgelegd waarmee financiële ondersteuning is aangetoond en is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres exclusief afhankelijk is van haar zoon. Daarnaast heeft verweerder geconcludeerd dat niet is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkind.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Ten eerste voert eiseres aan dat wel sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen haar en referent. De korte duur van de huidige samenwoning kan verweerder niet tegenwerpen, nu eiseres en referent 28 jaar gedwongen gescheiden hebben gewoond. Ten aanzien van de financiële afhankelijkheid voert eiseres aan dat zij in Iran niet kan rondkomen van haar pensioen en dat zij door referent financieel wordt ondersteund. Eiseres stelt verder dat zij en referent emotioneel afhankelijk zijn van elkaar, omdat in hun cultuur familiebanden zeer belangrijk zijn. Wat betreft de medische afhankelijkheid voert eiseres aan dat zij niet kan onderbouwen dat zij voor haar dagelijkse handelingen hulp van referent ontvangt. Daarnaast bestaan tussen eiseres en haar kleinkind wel hechte persoonlijke banden bestaan, nu het kleinkind zijn grootouders tijdens het opgroeien lange tijd heeft moeten missen in Nederland. Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de door haar aangevoerde feiten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Tussen ouders en hun meerderjarige kinderen wordt alleen familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aangenomen wanneer sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, zoals samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante elementen heeft betrokken en of hij tot het oordeel heeft kunnen komen dat er in het geval van eiseres geen sprake is van beschermwaardig familie- of gezinsleven met haar zoon.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder alle door eiseres aangedragen relevante individuele aspecten in de beoordeling heeft betrokken. Zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft toegelicht, richten de gronden zich tegen de weging van de aangedragen individuele aspecten. Die weging moet de rechtbank enigszins terughoudend toetsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van beschermingswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres en haar zoon. Verweerder heeft in het nadeel kunnen meewegen dat eiseres en referent weliswaar periodes hebben samengewoond, maar op het moment dat eiseres naar Nederland kwam zij 28 jaar gescheiden hadden gewoond. Verweerder heeft hierbij ook mogen betrekken dat, hoewel eiseres ten tijde van het bestreden besluit al bijna twee jaar in Nederland was, zij in deze periode geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Ten aanzien van de tweejaarlijkse visumbezoeken van eiseres sinds 2012, heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiseres dit niet volledig met documenten heeft onderbouwd en er verder op kunnen wijzen dat deze visumbezoeken – ook als hiervan uit wordt gegaan – niet in verhouding staan tot de periode van 28 jaar dat zij gescheiden hebben geleefd. Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiseres niet met stukken of andere bewijsmiddelen aannemelijk heeft gemaakt dat zij financieel afhankelijk is van haar zoon. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat referent de gestelde financiële ondersteuning ook kan voortzetten vanuit Nederland. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij – gezien haar leeftijd en medische klachten – exclusief afhankelijk is van de ondersteuning of verzorging door referent, en dat zij zonder deze verzorging niet in staat zou zijn om zelfstandig te functioneren. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres haar knieproblemen niet met stukken heeft onderbouwd. Verweerder heeft zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mogen toekennen aan het feit dat eventuele zorg ook geleverd kan worden door een van haar drie kinderen in Iran, een ander persoon of andere organisatie. Dat eiseres graag bij haar familie in Nederland woont en zorg en ondersteuning van referent ontvangt is weliswaar begrijpelijk, maar verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat daarmee nog geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn aangetoond. De beroepsgrond slaagt niet.
Hechte persoonlijke banden
7. Uit het beleid [2] van verweerder volgt dat beschermingswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro tussen een minderjarig kind en zijn grootouder wordt aangenomen, als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinzoon. Hoewel eiseres sinds haar komst naar Nederland samenwoont met haar kleinzoon en samenwoning een factor is die moet worden meegewogen in de beoordeling of sprake is van hechte persoonlijke banden, heeft verweerder de enkele constatering dat is samengewoond onvoldoende mogen vinden om de conclusie te dragen dat daarvan sprake is. [3] Verweerder heeft verder in dit verband mogen tegenwerpen dat de rol van eiseres beperkt is tot ondersteunende taken die gebruikelijk zijn tussen kleinkinderen en grootouders. Niet is gebleken dat eiseres de rol van (één van) de ouders heeft overgenomen door haar kleinzoon te verzorgen en op te voeden. De stelling dat eiseres niet weet hoe zij haar banden met haar kleinkind moet onderbouwen, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft in dit kader niet ten onrechte meegewogen dat de enkele stelling dat haar kleinkind zijn oma zal missen als zij Nederland moet verlaten, niet betekent dat daarom sprake is van hechte persoonlijke banden. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM
8. Anders dan de gemachtigde van eiseres heeft gesteld onder verwijzing naar een uitspraak [4] van de Afdeling, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet verplicht was een belangenafweging te maken. Uit vaste rechtspraak [5] van de hoogste bestuursrechter volgt namelijk dat bij het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte, persoonlijke banden geen sprake is van beschermwaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro tussen gezinsleden en verweerder in dat geval niet meer gehouden is om een belangenafweging uit te voeren. Nu deze lijn van de Afdeling reeds van toepassing was ten tijde van het bestreden besluit en nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder op goede gronden geconcludeerd heeft dat niet aannemelijk is dat sprake is van beschermwaardig familieleven tussen eiseres en referent, heeft verweerder in het bestreden besluit terecht afgezien van een belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening worden buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van de vereiste connexiteit. [6]
11. Voor een proceskostenveroordeling of terugbetaling dan wel vergoeding van de betaalde griffierechten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Vergelijk de uitspraak van het EHRM van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4685.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).