Eiser heeft op 12 augustus 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van zonnepanelen. Het college weigerde de vergunning op 1 december 2022 en handhaafde dit besluit op 5 februari 2024. Eiser stelde het college in gebreke wegens het niet tijdig bekendmaken van de vergunning van rechtswege en startte twee beroepen: tegen het niet tijdig bekendmaken en tegen het weigeren van de vergunning.
De kern van het geschil was of het college bevoegd was geweest om te beslissen, waarbij het college stelde dat de beslistermijn met instemming van eiser was opgeschort. Eiser betwistte dat hij schriftelijk had ingestemd, wat wettelijk vereist is. De rechtbank oordeelde dat de mondelinge instemming onvoldoende was en dat de beslistermijn daardoor was overschreden, waardoor de vergunning van rechtswege was verleend.
De rechtbank vernietigde het besluit van het college en stelde vast dat het college de vergunning alsnog binnen twee weken bekend moest maken. Tevens werd een dwangsom van €1.442,- vastgesteld wegens het uitblijven van de bekendmaking. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak bevestigt het belang van het schriftelijkheidsvereiste bij opschorting van beslistermijnen en benadrukt dat het bestuursorgaan niet bevoegd is om inhoudelijk te beslissen indien de vergunning van rechtswege is verleend door overschrijding van de termijn.