ECLI:NL:RBDHA:2025:4127
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, een Iraanse nationaliteit houdende man, en zijn minderjarige zoon hebben afzonderlijk asiel aangevraagd in Nederland. Duitsland werd aangewezen als verantwoordelijke lidstaat op grond van de Dublinverordening, waarna Nederland een terugnameverzoek deed. Na aanvankelijke bezwaren en verzoeken om aanvullende informatie heeft Duitsland het verzoek uiteindelijk aanvaard.
De minister van Asiel en Migratie besloot de asielaanvraag van eiser en zijn zoon niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is. Eiser voerde aan dat de datum van de asielaanvraag van zijn zoon onjuist was verwerkt en dat overdracht aan Duitsland niet in het belang van zijn zoon is vanwege diens trauma en binding met Nederland. Tevens werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de situatie van de minderjarige zoon onlosmakelijk verbonden is met die van de vader en dat de datum van de vader bepalend is voor de termijnen. Het verzoek om een second opinion was tijdig ingediend. De belangen van het kind zijn meegewogen, maar er zijn geen bijzondere omstandigheden die een overdracht aan Duitsland onevenredig maken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan vergelijkbare zaken.
Daarmee is het beroep ongegrond verklaard en blijft het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.