ECLI:NL:RBDHA:2025:4169

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
18 maart 2025
Zaaknummer
NL25.10062
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62a VwArt. 62 VwArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 66a VwParagraaf A4/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit met onthouden vertrektermijn en inreisverbod

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit waarbij een vertrektermijn werd onthouden en een inreisverbod van twee jaar werd opgelegd. Hij stelde dat hij rechtmatig verblijf had in Spanje en dat het inreisverbod onterecht was, omdat hij niet herhaaldelijk of opzettelijk illegaal verbleef.

De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse autoriteiten contact hadden opgenomen met de Spaanse autoriteiten, die bevestigden dat eiser geen rechtmatig verblijf had. De door eiser overgelegde documenten waren onvertaald en onvoldoende om een geldige verblijfsvergunning aan te tonen. Verweerder mocht daarom het terugkeerbesluit uitvaardigen.

Daarnaast was het onthouden van de vertrektermijn gerechtvaardigd vanwege het risico op onttrekking aan toezicht. Het inreisverbod werd conform het beleid voor de maximale duur van twee jaar opgelegd. De rechtbank vond het beleid niet onredelijk en concludeerde dat eiser geen feiten had gesteld die tot een ander oordeel leidden.

Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit met onthouden vertrektermijn en inreisverbod van twee jaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10062

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarbij een vertrektermijn is onthouden en een inreisverbod voor de duur van twee jaar is uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd, omdat hij toestemming tot verblijf heeft in Spanje. [1] Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit verklaard dat hij zo’n twee jaar in Spanje verblijft. Verweerder heeft onvoldoende doorgevraagd naar eisers verblijf in Spanje. Verder heeft eiser in beroep documenten overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij een aanvraag in Spanje heeft ingediend en dat hij daar zijn vaste woon- en verblijfadres heeft. Ten aanzien van het inreisverbod stelt eiser dat geen sprake is van herhaaldelijk of opzettelijk illegaal verblijf in Nederland of andere Europese lidstaten. Gelet op de situatie van eiser had verweerder moeten motiveren waarom een inreisverbod voor een kortere duur van één jaar niet passend is.
3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 26 februari 2025 blijkt dat verweerder vóór het uitvaardigen van het terugkeerbesluit contact heeft opgenomen met de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben aan verweerder meegedeeld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat zij eiser niet kennen. Als eiser niettemin meent dat hij wel rechtmatig verblijf heeft, is het vervolgens aan hem aan te tonen dat hij in het bezit is van een geldige Spaanse verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. De rechtbank is van oordeel dat de twee onvertaalde documenten die eiser in beroep heeft ingediend niet aantonen dat hij toestemming tot verblijf heeft in Spanje. Verder is door eiser niet gesteld dat hij in het bezit is van een geldige Spaanse verblijfsvergunning. Verweerder heeft dan ook terecht een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd. [2]
4. Daarnaast heeft verweerder een vertrektermijn aan eiser kunnen onthouden, omdat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. [3] Dit risico volgt uit de gronden [4] die aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank stelt vast dat eiser deze gronden niet heeft betwist. Nu verweerder een vertrektermijn aan eiser heeft kunnen onthouden, is hij gehouden een inreisverbod uit te vaardigen. [5] Uit verweerders beleid volgt dat hij een inreisverbod uitvaardigt voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a van het Vb is genoemd. [6] Bij eiser is dat voor de duur van twee jaar. In het beleid van verweerder staat dat hij in twee gevallen een inreisverbod uitvaardigt voor de duur van één jaar. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. De genoemde uitzonderingen doen zich niet voor bij eiser. Verweerder heeft dus op grond van zijn beleid terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. Tot slot zijn geen feiten of omstandigheden door eiser gesteld die verweerder aanleiding hadden moeten geven tot het afzien van een inreisverbod. [7]
5. Het beroep is ongegrond.
6. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 maart 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8312.
2.Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw.
3.Op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw.
4.Artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5.Op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw.
6.Paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
7.Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw.