Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens verzet aangetekend en verzocht om een voorlopige voorziening om de behandeling van het verzet in Nederland af te wachten.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker spoedeisend belang heeft omdat hij op 19 maart 2025 zal worden uitgezet naar Kroatië. Echter, de rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat verzoeker geen reëel risico loopt op een behandeling in Kroatië die in strijd is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Verzoeker stelt dat de rechtbank onvoldoende individueel heeft gemotiveerd en dat de persoonlijke omstandigheden van hem en zijn broer onvoldoende zijn meegewogen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de aangevoerde verzetsgronden geen twijfel oproepen over het kennelijke oordeel van de rechtbank dat het beroep ongegrond is. Ook het verzoek van de broer is afgewezen. Daarom is er geen reden om de voorlopige voorziening toe te kennen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en bepaalt dat verzoeker geen proceskostenvergoeding ontvangt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting naar Kroatië te voorkomen is afgewezen.