ECLI:NL:RBDHA:2025:4644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2025
Publicatiedatum
21 maart 2025
Zaaknummer
NL24.35210
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin haar bezwaarschrift niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening. De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit op 29 januari 2024 is verzonden, waardoor de bezwaartermijn van vier weken is gaan lopen. Het bezwaarschrift is echter pas een week na het verstrijken van deze termijn ontvangen.

De rechtbank beoordeelt of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Ondanks de persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal en stressvolle situatie, acht de rechtbank dit onvoldoende om de overschrijding niet aan haar toe te rekenen. Er is geen sprake van onduidelijkheid in het besluit en eiseres had de mogelijkheid om juridische hulp in te schakelen. De termijnoverschrijding is bovendien niet gering.

Verder oordeelt de rechtbank dat de minister geen hoorplicht had omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35210
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 20 augustus 2024 van de minister waarin haar bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. De minister heeft geen inhoudelijke beoordeling gegeven van het bezwaarschrift, omdat het bezwaar volgens de minister te laat is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2.1.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
De zitting was op 4 maart 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Ankomha als tolk en de gemachtigde van de minister.
2.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Is er sprake van termijnoverschrijding?
4. De rechtbank stelt als eerste vast dat de minister duidelijkheid heeft gegeven over de verzendinformatie van het primaire besluit. De rechtbank is van oordeel dat dit
voldoende is om aan te nemen dat het besluit op 29 januari 2024 is verstuurd. Die datum is daarom het uitgangspunt voor het berekenen van de bezwaartermijn van vier weken.
Wanneer eiseres het besluit heeft ontvangen, is daarvoor niet relevant, maar zelfs als de rechtbank daarnaar kijkt dan is onvoldoende onderbouwd dat eiseres het besluit later heeft ontvangen waardoor zij niet op tijd bezwaar heeft kunnen maken. Algemene noties over de postbezorging zijn hiertoe onvoldoende. Aangezien het bezwaarschrift na het verlopen van de bezwaartermijn is ontvangen door de minister, is het te laat ingediend.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
5. Nu het bezwaar te laat is ingediend, moet als tweede vraag worden beoordeeld of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.1 Daarbij is van belang of de termijnoverschrijding aan eiseres kan worden toegerekend. In dat verband wordt gekeken naar bijzondere omstandigheden die tot de termijnoverschrijding hebben geleid en in welke mate eiseres de overschrijding kan worden verweten.2
6. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding aan eiseres kan worden toegerekend. Haar hoedanigheid – eiseres is Russische en is de Nederlandse taal niet machtig, ze is geen jurist en haar doenvermogen zou zijn beperkt door haar stressvolle situatie rondom haar werk – maakt niet dat de overschrijding niet aan haar kan worden toegerekend. Hoewel de rechtbank begrijpt dat er veel op eiseres afkomt, mag tegelijkertijd van eiseres worden verwacht dat zij dan hulp inroept en eventueel ook juridische hulp. In de uitspraken waarop de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft gewezen3 ziet de rechtbank geen aanleiding om daarover anders te denken. De uitspraken waarnaar wordt verwezen bevatten naast vergelijkbare omstandigheden ook afwijkende omstandigheden die in dit geval niet aan de orde zijn. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de termijnoverschrijding om deze reden verschoonbaar te achten, met name nu de persoonlijke situatie van eiseres hetgeen is wat beoordeeld moet worden.
7. De rechtbank vindt verder niet dat het besluit onduidelijk is geweest. In het besluit staat duidelijk beschreven dat de bezwaartermijn vier weken bedraagt en dat het besluit mogelijk gevolgen heeft voor naturalisatie. Verder blijkt uit de telefoonnotitie van het telefoongesprek tussen eiseres en de minister van 4 maart 2024 ook niet dat de minister tekort heeft geschoten in de informatievoorziening of dat er meer van haar kon worden verwacht. Zoals gezegd, is het de verantwoordelijkheid van eiseres om eventueel juridische hulp in te schakelen. Daarbij vindt de rechtbank relevant dat eiseres wel zelf in staat was om binnen enkele dagen met een zienswijze te reageren op het voornemen dat voorafging aan het besluit. Daaruit maakt de rechtbank op dat eiseres de essentie van het voornemen wel heeft begrepen.
8. Tot slot is er geen sprake van een geringe termijnoverschrijding. Het bezwaarschrift is een week na het verstrijken van de bezwaartermijn ingediend en dat is niet zo gering dat de overschrijding verschoonbaar moet worden geacht. De rechtbank begrijpt dat een inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift van belang is voor eiseres, maar het algemene belang dat is gediend met het handhaven van termijnen weegt ook zwaar. Omdat eiseres wel een verwijt valt te maken, is verder niet relevant dat het om een tweepartijengeschil gaat. De minister heeft het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Hoorplicht

9. Aangezien het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is, kon de minister afzien van de hoorplicht. 4
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2025 door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
17 maart 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
3 Uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 22 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:969; Uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 18 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4321.
4 Artikel 7:3 aanhef Pro en onder a Awb.