ECLI:NL:RBDHA:2025:4647
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De minister legde op 13 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 14 maart 2025 via telehoor.
Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat een lichter middel passend zou zijn vanwege zijn medische situatie. De rechtbank oordeelt dat ondanks het ontbreken van reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag van 5 juli 2024, er geen reden is om aan te nemen dat zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft onvoldoende actieve en volledige medewerking verleend, bijvoorbeeld door het niet overleggen van documenten ter onderbouwing van zijn identiteit.
De rechtbank stelt vast dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door rappelleren en vertrekgesprekken. Ook is reeds eerder geoordeeld dat een lichter middel niet passend is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.