De minister legde op 13 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Marokkaanse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, wegens risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 24 januari 2025 en beoordeelde de rechtmatigheid van de bewaring. De minister baseerde de maatregel op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet rechtmatig binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan identificatie, het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank oordeelde dat deze gronden voldoende zijn om de bewaring te dragen, maar wees lichte grond 4e (verdachte van misdrijf) af wegens onvoldoende motivering.
Verder concludeerde de rechtbank dat een lichter middel niet toereikend is om de uitzetting te waarborgen en dat de minister voortvarend handelt, onder meer door het voeren van vertrekgesprekken en het aanvragen van een laissez-passer. Er is zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.