Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,) de minister,
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 22 maart 2024, waarbij de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel had vastgesteld op 5 juli 2023. Eiser betwistte deze datum en stelde dat de ingangsdatum 26 juni 2023 moest zijn, de datum waarop hij zich meldde bij het Aanmeldcentrum Ter Apel en een loopbrief ontving.
De rechtbank overwoog dat volgens een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2025, het Unierecht bepaalt dat de asielaanvraag wordt ontvangen op het moment dat de vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt bij de autoriteiten. Dit is niet afhankelijk van het moment van het indienen van het verplichte aanvraagformulier.
De rechtbank stelde vast dat eiser zijn asielwens op 26 juni 2023 kenbaar maakte via de loopbrief en dat de minister ten onrechte de latere datum van 5 juli 2023 als ingangsdatum had vastgesteld. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betrof en stelde de ingangsdatum vast op 26 juni 2023.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 907,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank stelde de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 26 juni 2023 en vernietigde het besluit voor zover het de eerdere datum van 5 juli 2023 betrof.