ECLI:NL:RBDHA:2025:4698
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende persoon, verzocht om een visum kort verblijf om zijn in Nederland wonende oom te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren naar Egypte.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing en stelde beroep in wegens niet tijdig beslissen. De minister nam uiteindelijk een besluit op bezwaar, waarin de afwijzing werd gehandhaafd. De rechtbank oordeelde dat het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat inmiddels op bezwaar was beslist.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de minister terecht twijfelde aan de sociale en economische binding van eiser met Egypte, mede omdat essentiële bewijsstukken zoals vertalingen en studie-inschrijving ontbraken. De rechtbank vond dat de minister terecht geen hoorzitting organiseerde en dat artikel 8 EVRM Pro niet van toepassing is in visumzaken.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van het visum bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend vanwege het onttrekken van de gemachtigde en het ontbreken van aanleiding voor vergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard, waarmee de visumaanvraag is afgewezen.