Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:4699

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2025
Publicatiedatum
24 maart 2025
Zaaknummer
11438484 RL EXPL 24-23453
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis tot betaling achterstallig salaris, vakantiegeld en salarisspecificaties

In deze kortgedingprocedure heeft de kantonrechter bij verstek uitspraak gedaan omdat de gedaagde partij niet is verschenen en niet heeft gereageerd. De eiser vorderde betaling van achterstallig salaris, vakantiegeld, een wettelijke verhoging van 50% over het salaris, wettelijke rente en de verstrekking van deugdelijke salarisspecificaties.

De kantonrechter heeft de vorderingen van de eiser grotendeels toegewezen, met een beperking van de betaling van achterstallig salaris tot een periode van 52 weken zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. Tevens is bepaald dat de salarisspecificaties binnen vier weken moeten worden verstrekt, onder dreiging van een dwangsom van €50 per dag met een maximum van €2.500.

De gedaagde is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €765 en wettelijke rente over de verschuldigde bedragen. De gevorderde eigen bijdrage voor de toevoeging is afgewezen omdat deze onderdeel is van de proceskosten en niet afzonderlijk toewijsbaar is.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. Dit vonnis is op 23 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Gedaagde wordt bij verstek veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris, vakantiegeld, wettelijke verhoging, rente en verstrekking van salarisspecificaties met dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Gravenhage
br/a
Zaaknummer: 11438484 \ RL EXPL 24-23453
Verstekvonnis in kort geding van 23 januari 2025
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
gemachtigde: mr. Y. Ersoy,
tegen
[gedaagde partij], H.O.D.N. [handelsnaam],
te '[woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
[eisende partij] heeft gevorderd zoals beschreven in de dagvaarding van 30 december 2024 waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
1.2.
Op 16 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij is [eisende partij] in persoon verschenen, bijgestaan door mr. I. Atay (kantoorgenoot van mr. Y. Ersoy). Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.
1.3.
[gedaagde partij] is niet in de procedure verschenen en heeft ook anderszins niet gereageerd. De bij wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen. Tegen [gedaagde partij] is daarom verstek verleend.

2.De beoordeling van het geschil

2.1.
De vordering van [eisende partij] komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze bij verstek wordt toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter de vordering van [eisende partij] die ziet op betaling van zijn (achterstallig) salaris zolang zijn arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd, begrenst door deze voor de duur van 52 weken toe te wijzen (van week 16 2024 uiterlijk tot en met week 15 van 2025). De kantonrechter zal de vordering van [eisende partij] tot verstrekking van deugdelijke salarisspecificaties toewijzen, met dien verstande dat zal worden bepaald dat deze binnen vier weken moeten worden verstrekt en dat de gevorderde dwangsom wordt gematigd tot € 50,- per dag met een maximum van € 2.500,-. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd.
2.2.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.[eisende partij] vordert een vergoeding van de door hem betaalde eigen bijdrage voor de verleende toevoeging. De eigen bedrage is onderdeel van de proceskosten en niet afzonderlijk toewijsbaar, ook niet als deze hoger is dan de volgens het liquidatietarief bepaalde gemachtigdensalaris. De gevorderde eigen bijdrage van € 714,- wordt dus afgewezen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht
87,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
Totaal
765,00
2.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
3.1.
veroordeelt [gedaagde partij] na betekening van dit vonnis aan [eisende partij] te betalen het (achterstallig) salaris vanaf week 16 2024 uiterlijk tot en met week 15 van 2025, tenzij de arbeidsovereenkomst tussen partijen eerder rechtsgeldig wordt beëindigd,
3.2.
veroordeelt [gedaagde partij] aan [eisende partij] te betalen het vanaf de datum van indiensttreding berekende vakantiegeld,
3.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50 procent over het tot op heden verschuldigde salaris,
3.4.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente over de op 30 december 2024 (zijnde de dag van dagvaarding) verschuldigde bedragen tot de dag van volledige betaling;
3.5.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente over op de na 30 december 2024 (zijnde de dag van dagvaarding) verschuldigde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling,
3.6.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan [eisende partij] te verstrekken deugdelijke salarisspecificaties vanaf maart 2024 tot en met heden, op verbeurte van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde partij] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,-,
3.7.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 765,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.8.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025.