ECLI:NL:RBDHA:2025:473
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting naar Algerije
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen de voortzetting van zijn bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder rechtmatig bevonden tot 30 oktober 2024, waarna alleen de periode daarna werd beoordeeld.
Eiser voerde aan dat verslagen van vertrekgesprekken ontbraken en dat er onvoldoende informatie was over het zicht op uitzetting naar Algerije, mede omdat de Algerijnse autoriteiten niet reageerden op rappelverzoeken. Verweerder stelde dat de passage over overschrijding van de zesmaandentermijn een standaardoverweging was en dat er geen verzwaarde belangenafweging van toepassing was.
De rechtbank stelde vast dat verslagen van vertrekgesprekken inmiddels aan het dossier waren toegevoegd en dat verweerder meerdere malen had gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Verder ontbrak het aan medewerking van eiser om zijn identiteit te bevestigen, wat het uitzettingsproces vertraagde.
Gezien de vaste rechtspraak en de feiten concludeerde de rechtbank dat er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat en dat de voortzetting van de bewaring rechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.