Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eisers, beiden Iraanse staatsburgers en gehuwd, vroegen op 31 oktober 2023 een visum voor kort verblijf aan om hun moeder in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er twijfel bestond over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren.
De moeder van eisers had eerder een visum voor kort verblijf gekregen maar was niet teruggekeerd naar Iran en had een verblijfsvergunning in Nederland aangevraagd, hetgeen de geloofwaardigheid van haar en daarmee van eisers ondermijnde. Daarnaast kon verweerder onvoldoende sociale en economische binding van eisers met Iran vaststellen. Eisers stelden dat zij wel sociale en economische binding hadden, onder meer door een eigen woning, werk en familie in Iran, en dat zij onterecht niet zijn gehoord in de bezwaarfase.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het bestreden besluit terughoudend wordt getoetst. Verweerder mocht de twijfel over het terugkeer voornemen baseren op het eerdere visumgebruik van de moeder en het ontbreken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen van eisers in Iran. De economische binding was onvoldoende aangetoond, mede omdat de arbeidsovereenkomst van eiser afliep en niet aannemelijk was gemaakt dat deze is verlengd. Ook het ontbreken van een eigen woning werd meegewogen.
De rechtbank vond dat verweerder eisers niet hoefde te horen in bezwaar omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van terugkeer en onvoldoende sociale en economische binding met Iran.