ECLI:NL:RBDHA:2025:4871
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel vreemdelingenbewaring en verzoek schadevergoeding
De minister heeft op 4 november 2024 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd, die nog voortduurt. Eiser, van Algerijnse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 21 maart 2025 behandeld en het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft eerder de maatregel van bewaring getoetst en geoordeeld dat deze tot 7 februari 2025 rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn omdat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op zijn presentatie en dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Tevens stelt eiser dat vanwege zijn leeftijd en minderjarige zoon een lichter middel passend is.
De rechtbank oordeelt dat er nog steeds zicht is op uitzetting naar Algerije, verwijzend naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Het ontbreken van reactie van de Algerijnse autoriteiten na drie maanden betekent niet dat deze niet alsnog zal komen. De minister heeft volgens de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld door meerdere rappels en vertrekgesprekken en het dossier extra onder de aandacht te brengen bij de Directie Internationale Aangelegenheden.
De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van haar eerdere oordeel dat een lichter middel niet volstaat en acht de voortzetting van de bewaring gerechtvaardigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.