De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Nigeriaanse moeder en haar minderjarige dochter tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De bewaring was gebaseerd op zware gronden uit de Vreemdelingenwet, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen en het ontvangen van een overdrachtsbesluit. De minister had de bewaring opgeheven nadat de moeder en dochter waren overgedragen aan Spanje.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de zware gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een lichter middel. De moeder had zich altijd aan haar meldplicht gehouden en had een jong kind, waardoor terughoudendheid bij het opleggen van bewaring geboden was. De rechtbank stelde vast dat de bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van oplegging.
Daarom kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €600 voor de moeder en €600 voor haar dochter voor zes dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.814. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.