ECLI:NL:RBDHA:2025:4980
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen verlenging overdrachtstermijn wegens vermeend onderduiken in Dublinprocedure
Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening te verlengen wegens vermeend onderduiken. Zij stelde dat zij niet ondergedoken was, omdat zij altijd binnen het bereik van de autoriteiten verbleef en slechts tijdelijk niet meewerkte aan de overdracht. Ter zitting werd toegelicht dat het toetsingsmoment voor onderduiken ligt bij het moment dat de taxi arriveert om de overdracht uit te voeren.
De rechtbank overwoog dat onderduiken inhoudt dat de vreemdeling doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten blijft om de overdracht te frustreren. Eiseres was voldoende geïnformeerd over haar verplichtingen en de gevolgen van niet-meewerken. Op de dag van overdracht was zij niet aanwezig op haar kamer en niet op de opvanglocatie, ondanks contact met de casemanager. Haar verklaring dat zij bij een vriendin was vanwege suïcidale gedachten werd niet voldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht heeft aangenomen dat sprake was van onderduiken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn bleef in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.