Eiser, met Togolese nationaliteit, kreeg op 19 februari 2025 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zijn asielaanvraag in de grensprocedure werd behandeld. Hoewel verweerder ten onrechte beoordeelde of sprake was van een significant risico op onderduiken, oordeelt de rechtbank dat de maatregel op een juiste juridische grondslag berust, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Eiser voerde aan dat de insluiting in het Justitieel Complex Schiphol onrechtmatig is vanwege de lange insluitingsuren vanaf 17:00 uur, wat volgens hem een ontoelaatbare beperking van zijn vrijheid inhoudt. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar recente uitspraken van de Afdeling die het JCS kwalificeren als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie en bevestigen dat de insluiting tussen 22:00 en 08:00 uur plaatsvindt.
De rechtbank concludeert dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is opgelegd en voortduurt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.