ECLI:NL:RBDHA:2025:5059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
NL25.8790
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig nemen van besluit op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiser heeft op 10 april 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 19 november 2022. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 juli 2024 het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen, met een dwangsom van € 100 per dag tot maximaal € 7.500.

Ondanks deze uitspraak heeft verweerder nog geen besluit genomen, waarop eiser op 24 februari 2025 opnieuw beroep instelde tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank verklaart dit beroep ontvankelijk en gegrond, omdat het besluit nog steeds niet is genomen en de eerdere dwangsom was volgelopen.

De rechtbank stelt een nieuwe termijn van twee weken voor het nemen van het besluit en verhoogt de dwangsom tot € 200 per dag met een maximum van € 15.000, omdat de eerdere dwangsom onvoldoende prikkel bleek. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de beroepsmatige rechtsbijstand.

De uitspraak benadrukt dat na het stellen van een termijn door de rechter geen nieuwe ingebrekestelling vereist is bij het niet naleven van die termijn. De rechtbank draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen en legt een hogere dwangsom op om naleving af te dwingen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt verweerder op binnen twee weken een besluit te nemen en legt een dwangsom op tot maximaal € 15.000.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.8790

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 10 april 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 19 november 2022.
Bij uitspraak van 25 juli 2024, bekendgemaakt op 31 juli 2024, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 10 april 2024 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen twee weken na de verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen. [1]
Op 24 februari 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken,
in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van
een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. [3] Uit deze
jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het
bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.
2. In de eerder genoemde uitspraak van 25 juli 2024, heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de door de rechtbank opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.
3. Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. [4] Eiser heeft het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 24 februari 2025. Op dat moment was de rechterlijke dwangsom volgelopen. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag van eiser. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en gegrond is.
4. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste uitspraak op het beroep al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. Daar komt bij dat sinds het vollopen van de rechterlijke dwangsom wederom geruime tijd is verstreken en verweerder nog geen besluit op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
5. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 200 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dat verband op dat uit de eerder aan verweerder opgelegde dwangsom vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven.
6. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2025 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2024:12209.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1684 en de uitspraak van