ECLI:NL:RVS:2022:1684
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-tijdig besluit bezwaar openbreken keldergewelf Utrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het openbreken van een keldergewelf af. Appellant maakte bezwaar, waarop het college niet tijdig besloot. De rechtbank verklaarde het eerste beroep gegrond en legde het college een dwangsom op. Na meerdere beroepen en dwangsommen stelde de rechtbank het tweede beroep ook gegrond, maar verklaarde het derde beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant wel degelijk procesbelang heeft bij het hoger beroep omdat het college nog steeds geen besluit op het bezwaar heeft genomen, ondanks eerdere dwangsommen en opdrachten. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en het niet-tijdig nemen van het besluit.
De Afdeling draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen en stelt een dwangsom van € 250 per dag vast, met een maximum van € 37.500. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht. Deze uitspraak bevestigt het belang van tijdige besluitvorming en de handhaving van dwangsommen bij bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom.