Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer 1], verzoeker
[naam kind]
Rechtbank Den Haag
Verzoekers hebben een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen de besluiten van 21 februari 2025, waarbij de minister hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling heeft genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling.
De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan en beoordeeld of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk kan worden toegepast. Verzoekers voerden aan dat dit niet het geval is vanwege de opvangvoorzieningen in Frankrijk, maar deze stelling is onvoldoende onderbouwd.
De rechter verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en een eerdere uitspraak van deze rechtbank, waarin een specifieke situatie werd beoordeeld die niet vergelijkbaar is met de huidige zaak.
Verder is vastgesteld dat verzoekers geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om binnen 24 uur na bekendwording van het besluit een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, waardoor geen schorsende werking is ontstaan. De overdracht aan Frankrijk leidt niet tot onomkeerbare gevolgen, omdat terugleiding naar Nederland mogelijk is indien nodig.
Op grond van deze overwegingen is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen is afgewezen.