Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:5223

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
NL24.43719 en NL24.43720
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening Frankrijk

Eiser, een Syrische nationaliteit, diende op 29 juni 2024 een asielaanvraag in Nederland in, terwijl hij eerder op 10 juli 2023 een asielverzoek in Frankrijk had ingediend. Nederland stelde vast dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening en nam de aanvraag niet in behandeling.

Eiser voerde aan dat hij feitelijk geen toegang heeft tot de asielprocedure in Frankrijk en dat hij geen opvang kan bereiken vanwege het ontbreken van financiële middelen om naar de opvanglocatie te reizen. Tevens verwees hij naar recente AIDA-rapporten die problemen met de opvang in Frankrijk signaleren.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk in het algemeen geldt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval niet meer kan. De belemmering om naar de opvanglocatie te reizen haalt niet de hoge drempel van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Jawo. Ook de AIDA-rapporten leiden niet tot een ander oordeel.

De rechtbank stelde dat eiser bij eventuele tekortkomingen in Frankrijk kan klagen bij de Franse autoriteiten en dat er geen aanwijzingen zijn dat dit niet mogelijk of zinloos is. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.43719 (beroep) en NL24.43720 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Daarnaast beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 november 2024 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1985 en de Syrische nationaliteit te hebben. Uit Eurodac blijkt dat eiser op 11 juni 2023 illegaal via Italië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en dat eiser op 10 juli 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Frankrijk. Eiser heeft op 29 juni 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening (Verordening (EU) nr. 604/2013) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 12 juli 2024 bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk is hier op 26 juli 2024 mee akkoord gegaan, waardoor sindsdien de verantwoordelijkheid van Frankrijk vaststaat.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt hieronder uit, aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
5. Eiser voert aan dat hij feitelijk geen toegang heeft tot de asielprocedure in Frankrijk en geen toegang zal verkrijgen tot opvang. Reden hiervoor is dat eiser zelf, bij aankomst in Lyon (Frankrijk), een afstand van 300 kilometer in Frankrijk moet zien te overbruggen om zich te melden voor zijn asielverzoek. Niet valt in te zien hoe eiser deze reis kan maken nu hij niet beschikt over financiële middelen. Verweerder heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden in het bestreden besluit. Eiser voert verder aan dat zowel uit het AIDA-rapport "update 2022" als uit het AIDA-rapport "update 2023" volgt dat er problemen zijn met de opvang in Frankrijk. Anders dan verweerder meent, is wel sprake van structurele en ernstige problemen met opvang in Frankrijk.
5.1
De rechtbank stelt voorop dat niet wordt betwist dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielprocedure van eiser. In geschil is of ten aanzien van Frankrijk nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Niet elk gebrek in de asielprocedure of opvangsituatie leidt ertoe dat niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals volgt uit het arrest Jawo [1] .
5.2
De rechtbank is van oordeel dat er in het algemeen ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) recentelijk nog bevestigd in haar uitspraak van 24 oktober 2024 [2] . Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet meer kan. Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Dat eiser in Frankrijk op eigen gelegenheid moet reizen naar de opvanglocatie terwijl hij geen financiële middelen heeft, vormt een belemmering, maar daarmee wordt de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Jawo niet gehaald. De verwijzingen van eiser naar het AIDA-rapport "update 2022" en het AIDA-rapport "update 2023" leiden evenmin tot een ander oordeel, omdat deze rapporten zijn beoordeeld in de recente uitspraken van de Afdeling [3] . Als eiser in Frankrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvangvoorzieningen, of anderszins, ligt het op zijn weg hierover bij de Franse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Franse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. [4]
De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Het beroep is ongegrond.
6.1.
Omdat de rechtbank beslist over het beroep van eiser en het beroep ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6.2
Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de
dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.