ECLI:NL:RBDHA:2025:5447

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2025
Publicatiedatum
1 april 2025
Zaaknummer
NL25.6327 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Opposante diende op 10 februari 2025 een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid. De rechtbank verklaarde het beroep op 20 maart 2025 niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan.

Tegen deze uitspraak stelde opposante verzet in. Zij voerde aan dat de nota voor betaling van het griffierecht naar een verkeerd adres was gestuurd, terwijl zij het juiste adres had vermeld in het beroepschrift. Hierdoor ontving zij de nota niet en kon zij niet tijdig betalen.

De rechtbank oordeelde dat de nota inderdaad naar een onjuist adres was verzonden terwijl het juiste adres bekend was. Daarom was het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep niet buiten redelijke twijfel juist. Het verzet werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek werd hervat.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van opposante, vastgesteld op € 453,50, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter F. Sijens en griffier B.A. Smit en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vervalt en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6327 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam], opposante [1] ,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2025 in het geding tussen,
opposante,
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Opposante heeft op 10 februari 2025 beroep ingediend vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis.
1.1.
Bij uitspraak van 20 maart 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. In deze uitspraak beslist de rechtbank op dat verzet.
1.3.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. [3] De Awb biedt deze mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank was in de beroepszaak van oordeel dat het griffierecht niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn was voldaan. Dit leidde tot een niet-ontvankelijk beroep. [4]
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittingsuitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.
4. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de nota voor de betaling van het griffierecht is verzonden aan een verkeerd adres. Opposante heeft in haar beroepschrift van 10 februari 2025 het juiste adres vermeld. Vervolgens is op 12 februari 2025 de nota voor de betaling van het griffierecht verzonden naar een ander adres dan het adres vermeld in het beroepschrift. Opposante heeft de nota voor de betaling van het griffierecht niet ontvangen, en kon daarom niet binnen de door de rechtbank gevraagde termijn het griffierecht voldoen. Het beroep is daarom volgens opposante niet buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk.
5. Uit de stukken in het dossier blijkt dat het beroepschrift met de vermelding van het juiste adres op 10 februari 2025 is ingediend. Na het indienen van het beroepschrift is de nota voor de betaling van het griffierecht op 12 februari 2025 naar een onjuist adres verzonden. De rechtbank was op het moment van het versturen van de nota in het bezit van het juiste adres en had daarvan op de hoogte kunnen zijn. Het beroep was daarom niet buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk. De verzetsgrond slaagt.
6. Uit de beoordeling van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 20 maart 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzet is kennelijk gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 20 maart 2025 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Volgens artikel 8:54, van de Awb.
4.Volgens artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.