ECLI:NL:RBDHA:2025:5460

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2025
Publicatiedatum
2 april 2025
Zaaknummer
NL24.49427
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 AwbVerordening (EU) 604/2013Richtlijn 2013/33/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen ongegrondverklaring asielaanvraag Dublin Kroatië afgewezen

Opposant, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, had op 12 augustus 2024 asiel aangevraagd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit op 9 januari 2025 kennelijk ongegrond zonder zitting.

Opposant stelde dat er discussie bestaat over de situatie van Dublinclaimanten in Kroatië, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin het beroep gegrond werd verklaard vanwege onvoldoende motivering omtrent artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hij wilde ook op zitting zijn eerdere ervaringen en familieomstandigheden toelichten.

De rechtbank oordeelde dat in de verzetsprocedure alleen beoordeeld kan worden of de vereenvoudigde behandeling terecht was toegepast. De aangevoerde argumenten leidden niet tot twijfel over de uitkomst. Eerdere ervaringen en familieomstandigheden waren reeds betrokken bij de beoordeling. De rechtbank volgde de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak dat er geen sprake is van systematische tekortkomingen in Kroatië.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de uitspraak van 9 januari 2025 in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de ongegrondverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49427 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 januari 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In de uitspraak van 9 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:242, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank heeft het verzet op 27 maart 2025 op een zitting behandeld. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam].

Beoordeling door de rechtbank

1. Opposant stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 augustus 2024 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft in het besluit van 10 december 2024 deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening).
2. In de uitspraak van 9 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:242, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant tegen dit besluit ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat er geen zitting heeft plaatsgevonden. Deze mogelijkheid bestaat als het oordeel van de rechter kennelijk is, dat wil zeggen: als de einduitkomst buiten redelijke twijfel staat.
3. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. Hij voert aan dat er veel discussie is over de situatie voor Dublinclaimanten in Kroatië. Daarbij verwijst hij naar enkele rechtbankuitspraken waarin het beroep gegrond is verklaard. Ook voert hij aan dat hij graag de gelegenheid had willen hebben om op een zitting te verklaren over zijn eerdere ervaringen in Kroatië en over de afhankelijkheid van zijn vader die in Nederland woont. Tot slot voert opposant aan dat zijn eerdere ervaringen in Kroatië hadden moeten worden beoordeeld in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Op grond van dat artikel mag verweerder een asielaanvraag in behandeling nemen vanwege bijzondere individuele omstandigheden ondanks dat een andere lidstaat voor die asielaanvraag verantwoordelijk is. Hierbij stelt opposant dat er in Kroatië voor Dublinclaimanten te weinig opvangplekken zijn. Daarbij verwijst hij naar informatie van het
International Centre for Peace Studies. Volgens opposant zou overdracht aan Kroatië dan ook in strijd zijn met de Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn).
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In de verzetsprocedure kan alleen worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling beperkt is tot de vraag of er in de beroepszaak terecht zonder zitting uitspraak is gedaan. Wel volgt uit vaste rechtspraak dat als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een behandeling op zitting ook hadden kunnen worden aangevoerd, beoordeeld moet worden of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
5. Opposant heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 21 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20976, en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 2 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:76. Dit betreft Dublin Kroatië-zaken waarin is geoordeeld dat er in Kroatië geen sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Deze uitspraken liggen in zoverre dan ook in lijn met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 januari 2025.
6. In de door opposant aangehaalde uitspraken is het beroep echter gegrond verklaard omdat verweerder in die zaken onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen aanleiding had gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, aangezien de eerdere ervaringen van de vreemdelingen in Kroatië daarbij niet waren betrokken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft daarna, in de uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, echter geoordeeld dat dit ook niet nodig is als dergelijke eerdere ervaringen al zijn betrokken bij de vraag of sprake is van systematische tekortkomingen. De rechtbank volgt opposant niet in zijn stelling ter zitting dat deze rechtspraak in strijd is met de Dublinverordening omdat eerdere ervaringen daarmee alleen in het kader van de algemene situatie een rol kunnen spelen. Het staat verweerder namelijk nog steeds vrij om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken en daarbij eerdere ervaringen van de vreemdeling te betrekken.
7. De omstandigheid dat er discussie is over de situatie voor Dublinclaimanten in Kroatië betekent niet dat er ten onrechte zonder zitting uitspraak is gedaan op het beroep van opposant. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, geoordeeld dat er in Kroatië geen sprake is van systematische tekortkomingen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dat oordeel sindsdien in alle Dublin Kroatië-zaken gevolgd. Als het beroep van opposant op een zitting was behandeld, was de uitkomst hetzelfde geweest.
8. Opposant heeft zowel in het aanmeldgehoor als in zijn zienswijze voorafgaand aan het besluit van 10 december 2024 de mogelijkheid gehad om feiten en omstandigheden in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening naar voren te brengen. Daarnaast heeft hij dat in zijn beroepsgronden voorafgaand aan de uitspraak van 9 januari 2025 kunnen doen. De nadere toelichting van opposant in de gronden van verzet en tijdens de zitting van 27 maart 2025 geven geen aanleiding tot twijfel aan de uitkomst van het beroep. Eisers verklaring dat hij als illegale immigrant in Kroatië geen toegang kreeg tot een opvangvoorziening is al in de uitspraak van 9 januari 2025 meegewogen. Eisers verklaringen dat hij graag contact wil hebben met zijn familie in Nederland, en dat zijn vader gescheiden is van zijn stiefmoeder en een hartaandoening heeft, leiden niet tot twijfel aan het oordeel dat verweerder hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken.
9. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb zonder een zitting heeft mogen afdoen. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 9 januari 2025 blijft in stand.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.