In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens verzocht eiser om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft beoordeeld of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was.
Eiser stelde dat de overdracht aan Duitsland pas op 24 maart 2025 had plaatsgevonden omdat het formulier M113 pas toen was opgemaakt, en dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de overdracht. De rechtbank oordeelde dat het opmaken van het M113-formulier een feitelijke handeling is en geen constitutief vereiste voor opheffing van de bewaring, waardoor de overdracht op 21 maart 2025 plaatsvond. Verweerder had volgens de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld, mede gelet op het vertrekgesprek en de complexiteit van de overdracht.
De rechtbank verwierp ook het verweer dat de overdracht vanwege medische omstandigheden later had moeten plaatsvinden. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring leverde geen onrechtmatigheid op. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.