ECLI:NL:RBDHA:2025:5658
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser maakte bezwaar tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000, met name vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting en vermeende onvoldoende voortvarendheid van de minister. De maatregel was eerder rechtmatig bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 14 januari 2025.
Eiser stelde dat non-statements van de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten gelijkstonden aan afwijzingen van zijn laissez-passer-aanvragen, waardoor geen zicht op uitzetting zou bestaan. De minister betwistte het bestaan van deze non-statements en corrigeerde een onjuiste vermelding daarvan in een voortgangsrapportage. De rechtbank oordeelde dat het aannemelijk is dat geen non-statements zijn ontvangen en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door rappelverzoeken te versturen en meerdere vertrekgesprekken te voeren.
Hoewel de rechtbank het onzorgvuldig vond dat onjuiste informatie over non-statements was verstrekt, achtte zij dit geen reden om de maatregel onrechtmatig te verklaren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Vanwege de onzorgvuldigheid werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.814,00.
De uitspraak is gedaan door rechter G.J.H. Boerhof en griffier I.S. Pruijn en is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.