ECLI:NL:RBDHA:2025:572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 januari 2025
Publicatiedatum
20 januari 2025
Zaaknummer
NL24.47830
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3 EVRMArt. 30b lid 1 VwArt. 29 lid 1 VwArt. 62 lid 2 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen als kennelijk ongegrond en geen uitstel van vertrek verleend

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen af te wijzen als kennelijk ongegrond en een inreisverbod op te leggen. Eisers voerden aan dat hun zoontje onder medische behandeling staat en dat daarom uitstel van vertrek had moeten worden verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet.

De rechtbank oordeelt dat het enkele bewijs van een afspraak in het ziekenhuis onvoldoende is om aannemelijk te maken dat er sprake is van een medische behandeling die uitstel van vertrek rechtvaardigt. Bovendien blijkt uit jurisprudentie dat medische omstandigheden onder uitzonderlijke omstandigheden kunnen leiden tot een nationale beschermingsstatus, maar niet tot internationale bescherming.

De rechtbank concludeert dat de asielaanvragen terecht als kennelijk ongegrond zijn afgewezen en dat de minister terecht geen uitstel van vertrek heeft verleend. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvragen als kennelijk ongegrond wordt ongegrond verklaard en er wordt geen uitstel van vertrek verleend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47830
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer 1]
[eiseres] ,eiseres
V-nummer: [V-nummer 2]
samen: eisers
mede ingediend namens hun minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
V-nummers: [V-nummer 3] en [V-nummer 4]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2025 op zitting behandeld. Eisers en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte geen uitstel van vertrek om medische redenen heeft verleend. Het zoontje van eisers staat namelijk onder medische behandeling. Dit blijkt uit het feit dat hij een afspraak had op 4 december 2024 in het [ziekenhuis] bij de Polikliniek Kindergeneeskunde. Daarnaast betwisten eisers dat zij alleen aangelegenheden aan de orde hebben gebracht die niet ter zake doen voor een asielvergunning. Het beroep op artikel 64 van Pro de Vw [1] raakt namelijk aan een asielgrond, nu alleen uitstel van vertrek wordt verleend wanneer sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [2] De asielaanvragen zijn daarom ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Er is dan ook ten onrechte een inreisverbod opgelegd.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eisers uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw te verlenen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun zoontje onder medische behandeling staat. Het overleggen van een enkele afspraakbevestiging is in dat verband onvoldoende. Daarbij is ook niet gebleken dat het bezoek aan het ziekenhuis op 4 december 2024 heeft geresulteerd in een diagnose en/of medische behandeling.
4. Daarnaast heeft verweerder de aanvragen terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. [3] Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de medische toestand van een vreemdeling onder uitzonderlijke omstandigheden een schending kan opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM. Die vreemdeling komt in dat geval echter niet in aanmerking voor een internationale beschermingsstatus, maar voor een nationale beschermingsstatus. [4] Verweerder heeft dus terecht overwogen dat eisers alleen aangelegenheden aan de orde hebben gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of zij in aanmerking komen voor internationale bescherming.
5. Omdat de aanvragen terecht zijn afgewezen als kennelijk ongegrond, heeft verweerder ook een vertrektermijn aan eisers kunnen onthouden. [5] Hij was vervolgens gehouden een inreisverbod tegen eisers uit te vaardigen. [6]
6. Het beroep is ongegrond.
7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1733.
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw
5.Zie artikel 62, tweede lid, onder b, van de Vw.
6.Zie artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw.