ECLI:NL:RBDHA:2025:5844
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoekster naar Polen vanwege nieuwe Poolse wetgeving
Verzoekster heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen met het argument dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond, waarna zij verzet deed en een voorlopige voorziening vroeg om in Nederland te mogen blijven totdat op het verzet is beslist.
De minister verweerde zich primair met het ontbreken van spoedeisend belang en subsidiair dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoekster verwees naar een nieuwe Poolse wet die het recht op asiel tijdelijk opschort, wat mogelijk gevolgen heeft voor haar situatie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er wel degelijk sprake is van spoedeisend belang omdat de overdracht gepland staat op 10 april 2025. In de belangenafweging weegt mee dat verzoekster de verzetprocedure in Nederland moet kunnen afwachten en dat de overdrachtstermijn pas op 8 juli 2025 verstrijkt, waardoor de voorlopige voorziening de overdracht niet definitief verhindert.
De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoekster. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in het bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoekster mag niet worden overgedragen aan Polen totdat op het verzet is beslist.