ECLI:NL:RVS:2024:5294
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling heeft bij besluit van 21 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen. De rechtbank Den Haag heeft dit besluit op 18 december 2024 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gezien de belangen van zowel de minister als de vreemdeling wordt geen voorlopige voorziening getroffen. Daarbij is van belang dat de overdracht van de vreemdeling aan Oostenrijk op grond van de Dublinverordening is vastgesteld en de overdrachtstermijn op 1 januari 2025 verstrijkt.
De voorzieningenrechter benadrukt dat de overdracht geen onomkeerbare gevolgen heeft, omdat bij een eventueel definitief oordeel dat Nederland verantwoordelijk is, de vreemdeling vanuit Oostenrijk kan worden teruggeleid. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Oostenrijk wordt afgewezen.