ECLI:NL:RBDHA:2025:5846
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Kroatië
Eiser, met Somalische nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt dat het besluit zorgvuldig en gemotiveerd is genomen, waarbij verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro, mede omdat zijn persoonlijke stellingen onvoldoende zijn onderbouwd.
Ook is geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen. De rechtbank bevestigt dat de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter geen aanleiding geeft af te wijken van het standpunt dat Kroatië geen systematische tekortkomingen vertoont.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 8 april 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.