Uitspraak
1.De procedure
2.De beoordeling van het verzoek
Met ‘buitengerechtelijke schuldregeling’ in art. 349a lid 1 Fw wordt daarom niet gedoeld op een schuldeisersakkoord, maar op het minnelijke traject van schuldhulpverlening.”
Rechtbank Den Haag
Mevrouw verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) met een verzoek tot een eerdere ingangsdatum. De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 27 maart 2025, waarbij ook de beschermingsbewindvoerder en schuldhulpverleners aanwezig waren.
De rechtbank beoordeelt dat verzoekster voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de WSNP, ondanks enkele schulden waarvan de goede trouw betwist kan worden, omdat deze buiten de driejaarstermijn zijn ontstaan en er nadien nauwelijks nieuwe schulden zijn gemaakt. De rechtbank legt uit dat de WSNP uitgaat van schuldregeling en niet van de bredere schuldhulpverlening, waarbij de ingangsdatum van de regeling kan worden vastgesteld op het moment van de eerste aflossing in het minnelijk traject.
Op basis van de eerste correcte berekening van het Vrij te laten bedrag op 26 juni 2024 en de eerste aflossing op 8 augustus 2024, stelt de rechtbank deze datum vast als ingangsdatum van de WSNP. De regeling duurt achttien maanden, met een postblokkade gedurende de eerste dertien maanden. De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder en bepaalt dat alle gelegde beslagen komen te vervallen.
De uitspraak is op 10 april 2025 in het openbaar uitgesproken door rechter J.C.A.T. Frima.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de WSNP wordt toegewezen met een ingangsdatum van 8 augustus 2024.