Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:6037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
NL25.1900
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMHandvest van de grondrechten van de Europese Unie artikel 4DublinverordeningBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker naar Polen wegens schending Dublinverordening

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen en hem over te dragen aan Polen, op grond van het Dublinstelsel. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening en stelde vast dat recente ontwikkelingen in Polen, waaronder een wet die het recht op asielaanvraag opschort en uitlatingen van de Poolse premier over het niet naleven van de Dublinverordening, relevant en objectief bewijs vormen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister deze informatie niet voldoende heeft betrokken in zijn besluitvorming en dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer kan toepassen zonder rekening te houden met deze feiten. Daarom werd het onderzoek in de bodemprocedure heropend en het bestreden besluit geschorst.

De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Polen totdat op het beroep is beslist en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van verzoeker. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het besluit van de minister wordt geschorst en verzoeker mag niet worden overgedragen aan Polen totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1900

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.E.M. Jacquemard),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A. Dijcks).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL25.1899). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met het beroep, op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Zeino als tolk en de gemachtigde van de minister. Ter zitting is het onderzoek in de bodemprocedure en in de voorlopige voorzieningenprocedure gesloten.
Op 8 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in de bodemprocedure heropend en de behandeling van het beroep geschorst.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoeker heeft in de bodemzaak onder meer betoogd dat ten aanzien van Polen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit verband heeft verzoeker gewezen op onder andere het meest recente AIDA-rapport van 2023 en een krantenartikel uit de Volkskrant van 27 maart 2025 overgelegd met als titel ‘Polen zet streep door recht op asielaanvraag’ (krantenartikel). Verzoeker vreest voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM als hij naar Polen zou moeten terugkeren.
2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
3. In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 29 februari 2024 [1] (arrest X) heeft het Hof overwogen dat - kort samengevat – het interstatelijk vertrouwensbeginsel deelbaar is en dat bij de beoordeling of sprake is van systeemfouten die vallen onder artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en daarmee de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo (arrest van het Hof van 19 maart 2019 in de zaak Abubacarr Jawo tegen Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2019:218) bereiken de situatie waarin de betrokken verzoeker zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen bevinden bepalend is en niet die waarin hij zich bevond toen hij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betrad. Bij de beoordeling moet door de lidstaat bovendien rekening worden gehouden met alle informatie die door de verzoeker wordt verstrekt, moet worden meegewerkt aan de vaststelling van de feiten door te beoordelen of het gestelde risico reëel is, op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, en moet ook op eigen initiatief rekening worden gehouden met relevante informatie waarvan de lidstaat niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 4 september 2024 [2] het toetsingskader voor de bewijslastverdeling bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel nader aangevuld aan de hand van onder meer de relevante overwegingen van het Hof uit arrest X. Uit die uitspraak van de Afdeling volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt is bij de beoordeling van een overdracht naar een andere lidstaat. De op de vreemdelingen rustende last om aannemelijk te maken dat de minister niet van dit interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, laat onverlet dat de minister uit eigen beweging rekening zal moeten houden met relevante en objectieve informatie over de lidstaat waaraan de vreemdelingen zullen worden overgedragen
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het door verzoeker overgelegde krantenartikel onder meer staat dat president Andrzej Duda woensdag een nieuwe wet ondertekende die eerder met overweldigende meerderheid in de Sejm (Lagerhuis) en de Senaat is aangenomen en dat premier Tusk direct reageerde en zei ‘zonder uitstel’ actie te ondernemen en dat donderdagochtend het recht om asiel aan te vragen is opgeschort voor een periode van zestig dagen, langs de hele grens met Belarus, en dat dit kan worden verlengd met toestemming van de Sejm. Ook staat in het krantenartikel dat critici stellen dat als Polen weigert asielaanvragen in behandeling te nemen van mensen die de grens oversteken, het land meerdere internationale verdragen en de eigen Grondwet overtreedt en dat ook wettelijke adviseurs van de senaat op dezelfde gronden een vernietigend oordeel velden over de wet. Ook staat in het krantenartikel dat de retoriek van Tusk over migratie verhardt: zo zei hij vorige week dat Polen zich niet meer zal houden aan de Dublinverordening waarmee EU-landen asielzoekers kunnen terugsturen naar de lidstaat waar ze asiel hebben aangevraagd.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het krantenartikel relevante en objectieve informatie bevat over Polen, de lidstaat waaraan de minister eiser wil overdragen. Relevant, omdat de uitlating van de premier van Polen, over dat Polen zich niet meer zal houden aan de Dublinverordening, moet worden gezien in het licht van de uit het artikel naar voren komende houding van Polen ten aanzien van asielaanvragen, waarvan in het artikel wordt gezegd dat wettelijke adviseurs van de Senaat de opschorting van het recht om asiel aan te vragen in strijd achtten met de Grondwet en meerdere internationale verdragen en de Senaat toch met meerderheid de wet heeft aangenomen, waarna de premier heeft gezegd direct tot actie over te gaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister deze relevante en objectieve informatie niet heeft betrokken in de besluitvorming. Ook op de zitting heeft de gemachtigde niet voldoende kunnen toelichten hoe in de besluitvorming rekening moet worden gehouden met deze informatie en wat deze informatie volgens de minister betekent voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in het kader van de Dublinprocedure, ten aanzien van Polen. De verwijzing van de gemachtigde van de minister op de zitting naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2025 [3] is daarvoor onvoldoende, al omdat in die uitspraak de uitlating van de premier van Polen, die wel specifiek ziet op de situatie van Dublinclaimanten, niet is betrokken of weerlegd. De omstandigheid dat Polen met het claimakkoord het verzoek uitdrukkelijk heeft geaccepteerd, is daarvoor ook niet voldoende, omdat dit claimakkoord is van 13 november 2024, dus van ver voor de recente ontwikkelingen.
7. De rechtbank heeft daarom het onderzoek in de bodemzaak heropend om de minister het bestreden besluit nader te laten motiveren. Daarbij moet de minister rekening houden met de informatie die door verzoeker is verstrekt en meewerken aan de vaststelling van de feiten door te beoordelen of het gestelde risico reëel is, op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten. Verder moet de minister daarbij ook op eigen initiatief rekening houden met relevante informatie waarvan de lidstaat niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, overeenkomstig het arrest X.
8. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Polen totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Polen totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.M. van Dommele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2024:195