ECLI:NL:RBDHA:2025:6049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
NL25.14890
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie op 11 februari 2025 aan hem heeft opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India en dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen.

De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en de zaak niet op zitting behandeld. De rechtbank overweegt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek op 25 februari 2025 rechtmatig was en beoordeelt alleen de rechtmatigheid sinds dat moment.

De rechtbank oordeelt dat het betoog van eiser over het ontbreken van zicht op uitzetting reeds is beoordeeld in een eerdere uitspraak van 3 maart 2025 en geen nieuwe gronden bevat. Ook is de minister voldoende voortvarend geweest door na die uitspraak opnieuw te rappelleren en een vertrekgesprek te voeren.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel als onrechtmatig te beschouwen en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14890

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

De minister heeft op 11 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 7 april 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [1]
1.1.
Uit de uitspraak van 3 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 25 februari 2025) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
2. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat in 2023 al een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (lp) is ingediend bij de Indiase autoriteiten en dat eiser op 6 juli 2023 aan hen is gepresenteerd. Deze aanvraag heeft toen niet geleid tot de afgifte van een lp. Op 12 oktober 2023 is de bewaring opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens eiser valt niet in te zien waarom dat zicht er nu dan wel zou zijn.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Wat eiser betoogt heeft de rechtbank al beoordeeld in de uitspraak van 3 maart 2025. [2] De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders over de beroepsgrond te oordelen en verwijst voor de motivering van deze beslissing naar de uitspraak van 3 maart 2025.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat de minister maar één keer heeft gerappelleerd en maar één vertrekgesprek is gehouden. De minister heeft een inspanningsverplichting, al helemaal omdat in het geval van eiser al sinds 2023 meerdere lp-trajecten zijn opgestart.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De minister heeft na de uitspraak van 3 maart 2025 nog een keer gerappelleerd en een vertrekgesprek gehouden met eiser. Dit is voldoende voortvarend.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
2.Rb. Gelderland (zp Arnhem) 3 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2025:3690, r.o. 1.1.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.