Eiser, met de Tadzjiekse nationaliteit, is sinds 15 januari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een voorgenomen Dublinoverdracht naar Polen. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste of het voortduren van de bewaring rechtmatig was, met name na het sluiten van het onderzoek op 10 februari 2025.
Eiser voerde aan dat de bewaringstermijn van zes weken volgens de Dublinverordening was overschreden en dat een interim measure van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overdracht aan Polen tijdelijk verbood. De rechtbank stelde vast dat de termijn van zes weken niet van toepassing was omdat Polen het terugnameverzoek al op 7 juni 2023 had aanvaard en dat het beroep en de voorlopige voorziening van eiser geen opschortende werking hadden.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan nodig is voor overdracht. Door de interim measure was feitelijke overdracht tijdelijk niet mogelijk, maar er was zicht op overdracht op 3 april 2025. Er was geen strijd met de Opvangrichtlijn vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.