ECLI:NL:RBDHA:2025:6223

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
15 april 2025
Zaaknummer
NL25.16105
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting maatregel bewaring en voortvarendheid verweerder in vreemdelingenrecht

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende persoon, is op 21 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder op 6 maart 2025 geoordeeld dat de bewaring tot die datum rechtmatig was, zodat de beoordeling zich richt op de periode vanaf 5 maart 2025.

Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, met name door het niet verzoeken van een versnelde behandeling van het beroep en voorlopige voorziening in zijn asielprocedure. De rechtbank stelde vast dat verweerder sinds 5 maart 2025 meerdere schriftelijke rappels aan de Gambiaanse autoriteiten heeft gedaan, een vertrekgesprek met eiser voerde en een presentatie gepland stond op 24 april 2025. Tevens bleek dat de behandeling van het asielberoep en voorlopige voorziening reeds op 25 maart 2025 had plaatsgevonden.

De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de maatregel van bewaring gedurende de te beoordelen periode niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16105

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 14 april 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 5 maart 2025, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 5 maart 2025.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Tijdens de bewaring heeft eiser asiel aangevraagd. Deze asielaanvraag is afgewezen. Tegen die afwijzing heeft eiser op 21 februari 2025 beroep ingesteld en ook heeft hij verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Het ligt op de weg van verweerder om bij de rechtbank te verzoeken om de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening naar voren te halen. Ten onrechte heeft verweerder dit nagelaten.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder sinds 5 maart 2025 twee keer schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Gambiaanse autoriteiten en een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Verder blijkt uit het voortgangsrapport dat op 24 april 2025 een presentatie van eiser bij de Gambiaanse autoriteiten is gepland. Hiermee handelt verweerder voldoende voortvarend. De stelling dat verweerder niet aan de rechtbank heeft gevraagd om de behandeling van het beroep en verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van eisers asielprocedure naar voren te halen, leidt niet tot een andere conclusie. Eiser heeft zelf beroep ingesteld tegen het afwijzende asielbesluit en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Het is de rechtbank daarbij ambtshalve bekend dat de behandeling van het beroep en verzoek om voorlopige voorziening van eiser reeds heeft plaatsgevonden op 25 maart 2025 bij zittingsplaats Den Haag.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel
van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.