Eiseres werd op 8 februari 2025 door het COA geplaatst in de Handhaving- en Toezichtlocatie te Hoogeveen en kreeg een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister. Zij stelde beroep in tegen beide besluiten, stellende dat het incident waarop de maatregelen waren gebaseerd onjuist was gekwalificeerd en onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat het COA terecht had vastgesteld dat eiseres een medewerker had geduwd, maar dat de kwalificatie van het incident als een gebeurtenis met zeer grote impact onjuist was. Het gedrag van eiseres, waaronder spugen en bedreigen op afstand, en het duwen in de context van alcoholgebruik en een kring van medewerkers, rechtvaardigde deze kwalificatie niet.
Daarom werd het plaatsingsbesluit vernietigd en de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding van €1.675 toe voor de onrechtmatige bewegingsbeperking gedurende 67 dagen en veroordeelde de Staat, het COA en de minister in de proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en deugdelijke motivering van bestuursbesluiten, zeker wanneer vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgelegd. Het COA moet de impact van incidenten nauwkeurig beoordelen en onderbouwen volgens het eigen maatregelenbeleid.