Uitspraak
1.De procedure
2.Standpunt van partijen
3.De beoordeling
4.De beslissing
[naam 1]niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Rechtbank Den Haag
Mevrouw [naam 1] verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar woning door Stichting Woonpartners voor zes maanden zou verbieden. De ontruiming stond gepland op 21 januari 2025. Mevrouw [naam 1] huurt de woning en heeft een Wajong-uitkering, maar er is sprake van een aanzienlijke huurachterstand.
De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een bedreigende situatie door de aangekondigde ontruiming. Echter, er was geen aanvang gemaakt met het minnelijk schuldsaneringstraject, een vereiste voor het toekennen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet. De gemeente weigerde schuldhulpverlening te starten vanwege de onstabiele financiële situatie van mevrouw [naam 1].
Daarnaast bleek dat mevrouw [naam 1] onvoldoende financiële middelen had om de lopende huur en andere vaste lasten te voldoen. De huur van januari 2025 was niet betaald, en het beschermingsbewind was nog niet uitgesproken. De rechtbank concludeerde dat er geen stabiliteit was die een moratorium rechtvaardigde.
Ten aanzien van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) werd mevrouw [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van de benodigde stukken en het ontbreken van een gestart minnelijk traject.
De rechtbank wees het verzoek tot voorlopige voorziening af en verklaarde mevrouw [naam 1] niet-ontvankelijk in haar WSNP-verzoek.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af en verklaart mevrouw niet-ontvankelijk in haar WSNP-verzoek.